29 maart 2012 – nooit zal ik die datum vergeten.
Op die dag kreeg ik de uitslag:
Borstkanker.
Donderdagmorgen.
Mijn dochter Wendy gaat mee.
We zitten stilletjes naast elkaar. Wat zullen we te horen krijgen?
Zal het meevallen, of zal het tegenvallen? En als het tegenvalt… ga ik dan dood?
“Nee, hou op, Carolien. Wacht eerst af.”
Mijn maag doet pijn, ik bijt zachtjes op mijn onderlip. Pff, wat duurt het lang.
We worden opgeroepen. Het voelt alsof ik naar een begrafenis ga, zo lopen wij de kamer in.
Als we plaatsnemen zegt de verpleegkundige:
“Ik ga je niet langer in spanning houden, maar helaas moet ik je vertellen dat je borstkanker hebt.”
We schrokken allebei, en het voelde alsof de grond onder mij weggleed.
Mijn dochter vraagt nog: “Is het kwaadaardig?”
De verpleegkundige antwoordt liefdevol: “Ja, kanker is altijd kwaadaardig.”
Wendy hoopte natuurlijk dat het een goedaardig gezwel was; het is allemaal zo onbekend.
Maar ik wist gelijk: dit is ernstig.
Toch blijf ik nuchter en vraag: “Wat nu?”
Ze komt gelijk met een plan.
De molen gaat draaien; ik stap in de trein van onderzoeken, operatie, bestraling en chemokuur.
Thuisgekomen plof ik neer op de bank. Is het echt waar?
Heb ik kanker?
Ik bel mijn geliefden op, en door hun emoties daalt het langzaam in mij.
Ik kan het bijna niet geloven, maar één ding weet ik zeker: ik ga vechten.
2 Timoteüs 1:7:
"Want God heeft ons niet een geest van vreesachtigheid gegeven, maar van kracht, liefde en bezonnenheid."
Geen opmerkingen:
Een reactie posten