Maandagmorgen werd ik wakker van het zoemen van mijn wekker.
Ik druk hem uit… het is nog zo vroeg.
Als ik het gordijn een stukje opzij schuif om naar buiten te kijken, ben ik verrast.
“Ach…” fluister ik, “wat mooi.”
Alles is wit, het heeft gevroren. Zelfs mijn auto is helemaal bevroren.
Brr… ik hoef niet te krabben om naar mijn werk te gaan.
Hoewel ik dat natuurlijk veel liever zou doen dan mijn laatste chemokuur ondergaan.
Heel gemeen misschien… maar ik kruip nog even onder de wol.
Als ik me klaarmaak en in de spiegel kijk, zie ik het:
ik ben moe.
Zelfs met make-up en mijn pruik ben ik niet de oude Carolien.
Geen visitekaartje voor achter de receptiebalie bij In de Bres.
Gelukkig zitten daar andere prachtige vrouwen.
Beneden maak ik mijn ontbijt klaar. Tijdens het maken van mijn budwigpapje hoor ik de eerste berichtjes al binnenkomen.
Mailtjes, appjes… reacties op mijn blog.
Wat een techniek.
En wat bijzonder dat mensen zo vroeg aan me denken – en voor mij bidden.
Ik neem mijn medicijnen en ga zitten met een kop koffie.
Even tijd met God.
Mijn bijbeltje ligt voor me, gehavend, vol ezelsoren en onderstreepte teksten.
Dat boek is als brood voor mij.
Als mijn ziel honger heeft, pak ik Zijn Woord.
Voordat ik naar het ziekenhuis ga, rijd ik nog even met mijn zus Anita langs de winkel om wat lekkers te halen voor de zusters.
Het is immers een beetje feest vandaag… mijn laatste chemokuur.
Fennie is er weer. Dat voelt vertrouwd.
Het infuus zit in één keer goed. Geen pijn.
Wat ben ik blij.
Dinsdag word ik wakker met vuurrode wangen – een bijwerking van de chemo.
Ik zie eruit als een gezonde boerendochter.
Toch voel ik me goed genoeg om even een boodschapje te doen.
Woensdag komt de keelpijn en lichte hoofdpijn.
Donderdag volgt de spierpijn… mijn hele lichaam doet zeer.
Ik ben gewoon helemaal op.
Maar… het zit erop.
Niet over drie weken weer.
Mijn collega’s zeiden steeds: “Je kunt het.”
En ze hadden gelijk.
Het is me gelukt.
Psalm 119:105
Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.