Ik teken mijn wenkbrauwen wat bij en geef mijn wangen wat kleur. Klaar om weg
te gaan.
“Goh joh, wat staat je dat goed, dat korte koppie. Staat je pittig,” hoor ik
geregeld.
Maar ik voel me helemaal niet pittig.
Ik voel me zwak.
Niemand ziet dat het nog helemaal niet goed gaat.
Dat er een gat in mij zit. Geen lichamelijke pijn meer, maar mentale pijn.
Dat ik mijn leven niet weer op de rit krijg.
Dat ik bang ben, verward, soms boos en verdrietig.
Dat ik me alleen voel, omdat ik rouw om een vriend waar ik om gaf.
“Het is nu toch al een tijdje geleden…”
Misschien denken mensen dat het wel weer over is.
Of denk ik dat ze dat denken.
Het is niet voor niets dat ik een tijd niet heb geschreven. Mijn
vertelkraantje ging dicht… en langzaam vroor het dicht.
Niet zwak willen zijn, niet zeuren, geen aandacht willen vragen. Dat is mijn
valkuil, maar ook mijn overleving.
Ik ben opgegroeid in een goed gezin, waar zeuren geen plek had. Troost werd,
onbedoeld, niet altijd gegeven.
Dus bouwde ik een klein harnas.
Elke zondag neem ik dat harnas mee naar de kerk.
Het past inmiddels perfect.
En mijn muur… die tolereer ik ook. Het is immers mijn muur.
Het kleine meisje zit veilig daarachter.
Mijn muur hoef je niet met een moker neer te halen.
Hij is opgebouwd uit bevroren tranen.
Als er warmte komt, smelt hij vanzelf.
Maar ja… laat die warmte maar eens toe.
Wat is het moeilijk om troost te ontvangen als dat harnas in de weg zit.
Mensen vinden het moeilijk om er doorheen te prikken.
Mijn boosheid is immers de voorkant van mijn verdriet.
In de preek van zondag hoorde ik dat je boos mag zijn.
Dat er bij God troost is.
Dat Hij niet schrikt van onze emoties. Wij mensen vaak wel.
In de auto, op weg naar huis met mijn zus Anita, hebben we gehuild.
Het water van mijn bevroren muur begon te smelten.
Een klein stukje genezing. Een stukje troost.
Thuis pak ik het boek Eindelijk thuis van Henri Nouwen.
Hij schrijft over het schilderij van Rembrandt van Rijn, De terugkeer van de
verloren zoon.
De handen van de vader…
Eén hand van troost,
en één hand die zegt: “Toe maar weer.”
Die handen heb ik nodig.
Ik zoek een lied op dat ik eerder hoorde.
Als de piano begint en de vrouw z8ingt, scheurt mijn muur open.
God, sus mij alstublieft…
zodat ik weer verder kan gaan,
zonder harnas en zonder muur.
Want dan ben ik wie ik écht ben:
gewoon Carolien,
Zijn geliefde kind.